Love is a battlefield, en mijn lijf is ook een battlefield.
Nadat ik als peuter een ernstige ziekte heb gehad, heb ik daar een handicap aan overgehouden. We hebben het dan over de jaren 50, een periode die een gigantisch verschil is met vandaag. De begeleiding die er tegenwoordig in ziekenhuizen is, was toen nog een volledig onbekend fenomeen. Artsen waren gewoon de baas!
Er werd dus per direct door artsen en behandelaars (allemaal mannen!) over mijn lijf beslist. Vanaf dat moment was mijn lijf niet meer van mij, maar zij bepaalden wat er gebeurde. 5 Jaar lang ging ik voor behandelingen en oefeningen naar het ziekenhuis. De oefeningen waren niet vervelend, maar wel saai. De behandelingen waren pijnlijk, dus wel erg vervelend. Dat weerhield artsen er niet van om de behandelingen toch uit te (laten) voeren. Zij beslisten dat het moest gebeuren, dus gebeurde het.
Een huilend kind dat ‘nee’ roept is dan voor hen wel erg vervelend, dus dat leerde ik snel af. Ik had geen andere keuze dan hen hun gang te laten gaan, en te wachten tot ‘het erge’ weer voorbij was. Tenslotte was mijn lijf in het ziekenhuis niet van mij, maar van hen. Ik koppelde mezelf dus gewoon los van mijn lijf en liet hun doen wat er nodig was.
Een lastige ouder (en dat was een ouder in die tijd al heel erg snel!) werd op de gang gezet met de mededeling “U maakt uw kind overstuur, het is beter als u op de gang wacht”.
Op mijn 10e jaar kwam de eerste operatie eraan. Het was inmiddels de jaren 60, maar artsen stonden nog steeds op een voetstuk. Toen mijn moeder voorzichtig haar twijfels uitsprak over het nut van die operatie werd ze terecht gewezen met de woorden: “Wie is hier nu de arts? Als ik zeg dat het gebeurt dan gebeurt het, anders gaat u maar naar een ander”. Die waren er niet in de regio, dus die keuze was geen keuze. Ook mijn moeder moest mijn lijf uit handen geven.
In mijn puberteit volgde de ene orthopedische operatie op de andere. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. De arts bedacht iets wat me ‘normaler’ zou maken, stelde het voor en het gebeurde. Weinig andere keus, want ‘normaler’ worden was iets wat iedereen me toewenste toch?
Na iedere operatie begon het aftellen. Ik wist dat er minimaal 6 weken opname bij een operatie hoorde, maar het konden er ook zomaar 12 of 16 worden, als de arts dat nodig vond. Eenmaal waren het zelfs 6 maanden, van Kerst tot het midden van de zomer. Gewoon omdat dat nodig was…
Na iedere operatie volgde pijnlijke fysiotherapie en en uiteraard moest ik ook iedere keer weer opnieuw leren lopen, omdat zo lang op bed liggen de spieren afgebroken had.
Iedereen scheen te weten wat goed was voor mijn lijf, maar zelf had ik er geen zeggenschap over. Ja, in theorie wel, maar in de praktijk niet. Als een arts zegt dat je ‘gewoon’ of ‘normaal’ wordt kies je daar vanzelf wel voor, want wie wil er nu ‘ongewoon’ of ‘niet normaal’ zijn….
De afstand tussen mij en mijn ‘vervelende lijf’ werd groter….
Behalve dit battlefield op lichamelijk gebied speelde dit ook door op mijn puberale ontwikkeling. Mijn zelfbeeld (puber met een zichtbare handicap) was al niet zo positief, want anders zijn in de puberteit betekent knokken om erbij te horen.
Als ik na enige tijd weer kon lopen en mijn sociale contacten weer kon proberen op te pakken, deed ik natuurlijk alle moeite om er weer bij te horen. Dat wil toch iedere puber?
Het grootste deel van puberen ging echter langs mij heen. Jezelf lichamelijk ontdekken in een ziekenhuisbed, op een zaal met 8 anderen, terwijl je pijn hebt, werkt daar niet echt positief op. En ik had ook wel wat anders aan mijn hoofd, want leuk vond ik mijn lijf al lang niet meer.
Omdat mijn lichaam gevoelsmatig toch al niet meer van mij was, was het voor mij ook geen probleem om ergens in een donker hoekje dat lijf ter beschikking te stellen aan een puisterig puber-boerenzoontje. Het deed mij niks, en de knulletjes vonden het wel prima.
‘Nee’ zeggen kwam niet in me op. Het deed me weinig tot niks, want ik woonde toch zelf niet in mijn lijf. Het was een soort hulpmiddel in een poging om erbij te horen.
Als ik dan daarna weer naar het ziekenhuis moest voor een operatie kwam er weer een stop in de strijd om erbij te horen…. Om gewoon weer opnieuw te beginnen als ik later weer terug was.
Leren omgaan met jongens en gevoelens van verliefdheid ging met stukjes en beetjes, en aandacht voor mijn lijf was voornamelijk functioneel en niet seksueel. Als ik langs een steiger liep met bouwvakkers, werd er naar mij nooit gefloten. Ik zou ook niet geweten hebben hoe ik had moeten reageren, want daar zou ik niet mee kunnen omgaan. Ik zou het ook niet geloofd hebben, want wie fluit er nu naar een zichtbaar gehandicapte? Toch geeft het ook de boodschap af: je bent niet de moeite waard om naar te kijken, laat staan te fluiten….
Ook in deze periode geen begeleiding om ermee te leren omgaan, ik moest het zelf maar uitvinden allemaal. Met vallen en opstaan…
Het was dus ook niet gek dat ik een man koos, die niet op MIJ viel, maar op mijn onvermogen om ‘nee’ te zeggen. Seks was voor hem iets wat er dagelijks bij hoorde, of ik nu wel of geen zin had. Hij was erg goed in zijn zin krijgen, heeft regelmatig een hele nacht hard liggen zingen en op het bed liggen slaan, om me wakker te houden als ik ‘nee’ gezegd had. Totdat ik dan maar toegaf en hem zijn ding liet doen, enkel om te kunnen slapen.
Het was halverwege de jaren 70 en de vrouwenbeweging kwam net op in het dorp waar ik woonde. In een vrouwengespreksgroep begreep ik (eindelijk) dat niet iedere vrouw haar lijf zo gemakkelijk weg gaf. Dat niet iedere vrouw een onvermogen had om ‘nee’ te zeggen.
Inmiddels was ik gescheiden, maar mijn lijf was nog steeds een battlefield. Het voelde nog steeds alsof het niet mijn eigendom was. Ik vond het lelijk, niet symetrisch, beschadigd door lettekens, afwijkend van de norm, kortom: het deugde niet.
Maar langzaam, heel langzaam begon ik dingen helderder te zien. Ik snapte stukje bij beetje dat alle verbale en non-verbale ‘oordelen’ mij op onbewust niveau behoorlijk beïnvloed hadden.
Als de artsen zeiden dat ze me ‘normaal’ konden maken, zeiden ze dus ook dat ik het nu eigenlijk niet was? Ik ging aan het werk om dat eruit te krijgen: ik ben normaal binnen de mogelijkheden van mijn lijf en leven. Normaler dan dit zal ik nooit worden en de normen en waarden die voor een gezond, niet-gehandicapt lijf gelden, gelden niet voor mij.
Het kleine kleutertje dat zich in het ziekenhuis zo eenzaam en wanhopig had gevoeld tijdens de acute fase van de ziekte, begon ik langzaam te begrijpen.
Het kleine meisje dat al die pijnlijke dingen niet wilde en daarom maar uit haar lijf ging, heb ik bij de hand genomen en getroost.
De puber die zich afgewezen voelde, die niet snapte dat ze zichzelf afwees, heb ik veel uitleg, begrip en waardering gegeven.
De jonge vrouw die geen ‘nee’ durfde zeggen heb ik daar toestemming voor gegeven en ik heb het haar een aantal malen voor gedaan.
Langzaam, heel langzaam word mijn lijf weer van mij.
Langzaam, heel langzaam ga ik wat voelen voor dat lijf van mij.
Langzaam, heel langzaam ontdek ik emoties die ik in de puberteit heb overgeslagen.
Ik heb oude emoties stuk voor stuk uit mijn lijf gehaald. Ik heb oude alle herinneringen bekeken, verwerkt en in het Museum voor Voltooid Verleden Tijd opgeborgen. Ik heb pijn, verdriet, onbegrip, eenzaamheid, wanhoop en het hele scala uit al die jaren geheeld.
Ge-HEEL-d, het woord zegt het al: ik ben nu heel. Mijn lijf is van mij, mijn waarden en normen over mezelf zijn van mij, mijn gevoelens zijn van mij. IK maak keuzes over mezelf en een ander niet!
Hoe meer ik van mijn lijf hou, hoe meer mijn battlefield een tuin begint te worden…..
Je moet lid zijn van Cafe de Liefde om reacties te kunnen toevoegen!
Wordt lid van Cafe de Liefde